Start Omhoog

Een Onderzoek Naar de Veronderstelde Eigenschappen Van

Seksueel Misbruik van Kinderen Gebaseerd op

Niet-klinische Steekproeven

 

Bruce Rind, Ph.D.
Department of Psychology
Temple University

Robert Bauserman, Ph.D.
Department of Health and Mental Hygiene
State~of Maryland

Philip Tromovitch, Ph.D. (cand.)
Graduate School of Education
University of Pennsylvania

 

Lezing, gehouden in Rotterdam op 18 december 1998

 

Eerdere literatuuronderzoeken

Link

3

Kwalitatieve literatuuronderzoeken

Link

3

Beperkingen van kwalitatief literatuuronderzoek

Link

4

Kwantitatieve literatuuronderzoeken

Link

5

Landelijke steekproeven

Link

7

Studentensteekproeven

Link

11

Gezinsomstandigheden

Link

17

Bespreking

Link

20

Het begrip 'seksueel misbruik van kinderen' heroverwogen

Link

21

Niet-klinische steekproeven met betrekking tot seks tussen jongens en volwassenen

Link

23

Conclusie

Link

27

 

[Opmerking van de vertaler in tweede instantie: deze vertaling wijkt af van de door de KSA gepubliceerde vertaling. Hieronder zijn ook alle engelse termen en passages vertaald. Zo is "CSA" (voor child sexual abuse) vervangen door het Nederlandse equivalent "SMK" (seksueel misbruik van kinderen). Het engelse college is hier niet gehandhaafd als 'college', maar vertaald als 'studenten'. Met name is ook de vertaling van het engelse sample gecorrigeerd. Dit mag m.i. niet vertaald worden als 'populatie', maar uitsluitend als 'steekproef'. Ook is study niet vertaald als 'studie', maar als 'onderzoek'. 'Variatie' (verschil in gegevens) is vervangen door 'variantie' (statistische maat voor de mate van variatie). Op verzoek van de auteurs is tenslotte een passage geschrapt.

Dr F.E.J. Gieles.]

Vanaf het midden van de jaren zeventig legden deskundigen uit de geestelijke gezondheidszorg, politici, vertegenwoordigers van politie en justitie, de media en het grote publiek een steeds verder groeiende belangstelling aan de dag voor seksueel misbruik van kinderen (in het vervolg afgekort met "SMK"). Uiteindelijk zou deze bezorgdheid zich vanuit de Verenigde Staten naar andere landen, waaronder Nederland, uitbreiden. Veel van de aandacht voor SMK is gericht op de mogelijke gevolgen voor het psychisch welbevinden. SMK wordt zowel in de media als in de beroepsliteratuur gewoonlijk afgebeeld als een buitengewoon traumatische ervaring, als een "bijzondere aanslag op de geestelijke gezondheid van volwassenen". Zo stelden de auteurs van een recent artikel in het belangrijkste tijdschrift in Amerika op het gebied van de klinische psychologie bijvoorbeeld dat 'seksueel misbruik van kinderen als vrijwel geen andere gebeurtenis traumatisch is', waarmee zij in feite stellen dat er voor jonge mensen nagenoeg geen ervaringen bestaan die erger zijn dan deze. Uit het veld van de geestelijke gezondheidszorg klinkt nogal eens de poging om veel van geestelijke stoornissen onder volwassenen, zo niet alle, als een gevolg van SMK te verklaren.

De algemene opvatting die uit de laatste twintig jaar na voren komt, is dat SMK een aantal basiseigenschappen heeft:

  1. het veroorzaakt schade;

  2. deze schade komt op grote schaal voor;

  3. deze schade is gewoonlijk intens en

  4. is voor jongens even sterk, of even negatief, als voor meisjes.

Deze eigenschappen gaan zowel op voor patiënten die in therapie zijn (dat wil zeggen in klinische steekproeven) als voor mensen die niet in therapie zijn (niet-klinische steekproeven). Ons onderzoek van de afgelopen jaren was gericht op het bestuderen van deze veronderstelde basiseigenschappen van SMK. De vraag die wij ons gesteld hebben, en die wij in deze lezing trachten te beantwoorden, is: Heeft SMK voor diegenen die het meegemaakt hebben op grote schaal geleid tot een intense psychische schade die voor beide geslachten in gelijke mate opgeld doet?

Voordat we ons onderzoek nader beschrijven, is het van belang om de gebruikte terminologie te bespreken. De term SMK wordt in de psychologische literatuur gebruikt ter beschrijving van nagenoeg alle seksuele interacties tussen kinderen of pubers en significant oudere personen, en voor interacties tussen kinderen of pubers van dezelfde leeftijd waarbij dwang een rol speelt. Het ongericht gebruik van deze term en gerelateerde begrippen als "slachtoffer" en "dader" is door een aantal onderzoekers bekritiseerd, omdat zij vraagtekens plaatsen bij de wetenschappelijke validiteit. Zoals een van hen opmerkte, slagen onderzoekers er vaak niet in om een onderscheid aan te brengen tussen 'misbruik' in de vorm van schade, berokkend aan een kind of puber, en 'misbruik' in de vorm van een schending van maatschappelijke normen. Dit is een wezenlijk probleem omdat niet voetstoots aangenomen kan worden dat de schending van een maatschappelijke norm schade tot gevolg heeft. In dat verband merkte een andere onderzoeker op dat onze samenleving geneigd is om in zaken rondom seksualiteit 'onrechtmatigheid' met 'schade' gelijk te stellen, maar 'schade' kan niet uit 'onrechtmatigheid' afgeleid worden. Weer een andere onderzoeker heeft beweerd dat het ongenuanceerd gebruik van terminologie die geweld, dwang en schade postuleert, het geloof weerspiegelt en bevestigt dat deze interacties altijd schadelijk zijn, wat een objectieve beoordeling in de weg staat. In eerder onderzoek hebben wij experimenteel aangetoond dat mensen die wetenschappelijke rapportages lezen van niet-negatieve seksuele interacties tussen adolescenten en volwassenen, beïnvloed worden door het gebruik van negatief geladen termen als SMK.

De problemen rondom de wetenschappelijke validiteit van de term SMK komen wellicht het duidelijkst naar voren wanneer de herhaaldelijke verkrachting van een vijfjarig meisje door haar vader - wat zonder twijfel ernstige schade tot gevolg heeft - geplaatst wordt tegenover een vrijwillige seksuele relatie tussen een seksueel rijpe vijftienjarige jongen en een niet-verwante volwassene, waarvan de schade, hoewel het een schending van maatschappelijke normen betreft, wellicht niet aantoonbaar is. Door beide zeer ongelijke zaken in dezelfde categorie SMK te plaatsen, wordt een wetenschappelijk valide inzicht in beide fenomenen ondermijnd.

Met in acht name van deze waarschuwingen met betrekking tot de tekortkomingen van de term SMK zullen wij deze term niettemin tijdens deze lezing gebruiken, omdat het gebruik zo wijdverbreid is onder de auteurs van de onderzoeken die wij onderzocht hebben. Verderop in onze lezing, nadat wij onze gegevens en analyses gepresenteerd hebben, zullen wij nog terugkomen op de wetenschappelijke validiteit van deze term. Dit gezegd hebbende zullen wij de term SMK, in het licht van het momentaan gebruik van deze term, definiëren als een seksuele interactie die al dan niet een lichamelijk contact impliceert (zoals bijvoorbeeld in het geval van exhibitionisme, waarbij geen lichamelijk contact plaatsvindt) tussen ofwel een kind, een puber of een adolescent en iemand die substantieel ouder is, of tussen twee kinderen, pubers of adolescenten van dezelfde leeftijd waarbij van gebruikmaking van dwang gesproken kan worden.

[Noot: adolescent is vertaald als 'puber of adolescent'.]

 

Eerdere literatuuronderzoeken

Vanaf het eind van de jaren zeventig zijn onderzoekers in alle ernst begonnen met het onderzoeken van de psychologische verbanden of effecten van SMK. Al snel werden vele van dergelijke onderzoeken gepubliceerd. Dit had op haar beurt de opkomst van een nieuwe vorm van onderzoek tot gevolg, bestaand uit het verslaan en samenvatten van het beschikbare onderzoek - het verrichten van literatuuronderzoek dus. Tijdens de afgelopen 15 jaar zijn er de nodige literatuuronderzoeken verschenen. Deze onderzoeken zijn niet altijd unaniem in hun conclusies, hoewel het grootste deel de veronderstellingen omtrent causaliteit, intensiteit, grootschaligheid en de gelijkwaardigheid voor jongens en meisjes van de veronderstelde schade van SMK deelt, waarmee zij de populaire veronderstellingen omtrent SMK steunen. Door de jaren heen zijn er twee soorten van literatuuronderzoek verricht: kwalitatieve en kwantitatieve. We zullen beide soorten van onderzoek aan een nadere beschouwing onderwerpen.

 

Kwalitatieve literatuuronderzoeken.

Het eerste type literatuuronderzoek is kwalitatief. In dit type onderzoek verzamelt de onderzoeker een aantal onderzoeksverslagen en vat in verhalende vorm samen wat er in gezegd lijkt te worden. De onderzoeker geeft de lezer in woord en beschrijving - en niet in wiskundige vorm - zijn of haar interpretatie van de bevindingen van het geheel van de onderzoeken.

De auteurs van deze kwalitatieve literatuuronderzoeken hebben overwegend geconcludeerd dat SMK geassocieerd moet worden met een omvangrijk aantal psychische problemen, waaronder woede, depressie, psychische angsten, eetstoornissen, alcohol en drugsmisbruik, verminderd zelfvertrouwen, relatieproblemen, ongepast seksueel gedrag, agressie, zelfverminking, zelfmoord, dissociatie (meervoudige persoonlijkheid) en posttraumatische stress. Vaker dan niet hebben zij aangenomen dat SMK de oorzaak is van deze problemen en hebben zij daarbij beweerd, of geïmpliceerd, dat de meeste mensen met SMK gerelateerde ervaringen met deze problemen te maken zullen krijgen. Sommigen hebben zich veel moeite getroost om te benadrukken dat jongens net zo zeer onder deze problemen gebukt gaan als meisjes. Een groep van onderzoekers noemde het een mythe dat jongens in mindere mate door SMK beïnvloed zouden worden dan meisjes. Een andere onderzoeker deed pogingen om vast te stellen of jongens in gelijke mate door SMK beïnvloed werden als meisjes af als een futiliteit en stelde dat SMK 'uitgesproken traumatische effecten heeft op de slachtoffers, ongeacht hun sekse.'

Niet alle onderzoekers hebben echter met deze conclusies ingestemd. Een aantal van hen heeft erop gewezen dat voorzichtigheid geboden is bij het postuleren van causaliteit, waarbij zij stelden dat SMK zo sterk verweven is met problemen in en rond het gezin, dat het niet echt mogelijk is om het verminderd welbevinden bij personen met SMK-ervaringen in vergelijking met een controlegroep aan SMK, dan wel aan slechte gezinsomstandigheden toe te schrijven. Een aantal onderzoekers heeft beweerd dat de gevolgen van SMK eerder variabel zijn, dan overwegend negatief. In een van zijn eerste onderzoeken vond Constantine bijvoorbeeld dat negatieve gevolgen vaak afwezig waren bij personen met SMK-ervaringen in niet-klinische steekproeven. Hij concludeerde dat er geen sprake is van onvermijdelijke gevolgen of een vaststaand geheel aan reacties en dat de manier waarop op SMK gereageerd wordt mede door niet-seksuele factoren beïnvloed wordt, zoals de mate van vrijwilligheid waarmee de jongere participant zijn inbreng in de seksuele ontmoeting beleeft. Tenslotte heeft een aantal onderzoekers opgemerkt dat jongens ertoe neigen veel positiever of neutraler te reageren dan meisjes.

 

Beperkingen van kwalitatief literatuuronderzoek.

Welke conclusie kunnen we trekken uit kwalitatieve literatuuronderzoeken als geheel met betrekking tot de heersende opvattingen omtrent SMK? Om een aantal redenen eigenlijk geen. Ten eerste omdat de conclusies van het ene onderzoek vaak niet consistent zijn met ander onderzoek. Ten tweede, en belangrijker nog, omdat deze literatuuronderzoeken over het algemeen gebukt gaan onder vertekeningen in de steekproeven (steekproeffouten) en ten derde omdat ze zich kwetsbaar tonen voor onderzoeksfouten als gevolg van subjectiviteit en onnauwkeurigheid.

 Steekproeffouten.

Al deze kwalitatieve literatuuronderzoeken (op één na, waar wij later in deze lezing nog op terug zullen komen) zijn voornamelijk gebaseerd op klinische en justitiële steekproeven. Een groot deel ervan is uitsluitend - of bijna uitsluitend - gebaseerd op deze steekproeven. Van klinische en justitiële steekproeven van personen met SMK-ervaringen kan niet aangenomen worden dat zij representatief zijn voor de hele populatie van personen met een SMK-geschiedenis. Dit is een buitengewoon belangrijk principe dat het waard is om nader onder de loep genomen te worden.

Het 'bewijs' dat masturbatie geestelijke stoornissen tot gevolg heeft, werd ooit gebaseerd op de observatie dat geïnstitutionaliseerde psychiatrische patiënten masturberen. Het 'bewijs' dat homoseksualiteit een geestelijke stoornis is, was ooit gebaseerd op steekproeven van psychiatrisch patiënten en gevangenen. Toen men niet-klinische steekproeven begon te onderzoeken, ontstond een heel ander en veel gunstiger beeld van masturbatie en homoseksualiteit. Analoog hieraan moet ook SMK onder niet-klinische steekproeven onderzocht worden om vast te kunnen stellen of het in het algemeen schadelijk is, en zo ja, in welke mate.

Sommige literatuuronderzoeken naar SMK zijn gebaseerd op grote aantallen klinische steekproeven. Dit spoorde de onderzoekers aan om te concluderen dat SMK buitengewoon destructief is. Maar grotere aantallen onderzoeken brengen ons niet noodzakelijk dichter hij valide kennis. Dit kunnen wij met een beroemd voorbeeld illustreren.

In 1936 voerde de Republikeinse presidentskandidaat Alf Landon campagne om het presidentschap tegen de kandidaat van de Democraten, Franklin D. Roosevelt. Twee weken voor de verkiezingen stuurde het tijdschrift Litarery Digest 12 miljoen briefkaarten rond waarop zij mensen vroegen op wie zij zouden gaan stemmen. Zij ontvingen 2,5 miljoen reacties, waarvan 57% kenbaar maakte op Landon te stemmen en 43% op Roosevelt. De eigenlijke verkiezingen toonden precies het omgekeerde resultaat. Wat ging er fout? Het tijdschrift had haar populatie uit registers van autobezitters en telefoonboeken samengesteld. In 1936, tijdens het hoogtepunt van de depressie, hadden de bezitters van auto's en telefoons waarschijnlijk meer geld en waren om die reden eerder geneigd op een Republikeinse kandidaat te stemmen. Met andere woorden, de steekproef was niet representatief. Het feit dat het tijdschrift een enorm aantal reacties had ontvangen (2,5 miljoen) woog niet op tegen de vertekening in de samenstelling van de steekproef. Een representatieve steekproef van 1000 personen (zoals deze tegenwoordig veelal gebruikt wordt) is veel geschikter om valide resultaten te behalen. Het principe is dat een fout in de steekproef nooit goedgemaakt kan worden door een grotere omvang. De gerichtheid op klinische en juridische steekproeven is een belangrijke tekortkoming van de meeste kwalitatieve literatuuronderzoeken.

Conclusies trekken uit onderzoeken, gebaseerd op klinische en juridische steekproeven, is niet alleen problematisch omdat deze steekproeven niet representatief zijn voor de hele bevolking, maar ook omdat gegevens afkomstig uit deze steekproeven bloot staan aan een grote kans op ongeldigheid.

Een van de problemen heeft te maken met de opvattingen van therapeuten. Als een therapeut ervan overtuigd is, zoals velen dat ooit waren, dat homoseksualiteit leidt tot verminderd welbevinden, dan zal deze therapeut minder gemotiveerd zijn om door te zoeken naar andere mogelijke oorzaken van het verminderd welbevinden van een homoseksuele patiënt. Op deze wijze blijft de opvatting van de therapeut dat homoseksualiteit een geestelijke stoornis is, gehandhaafd.

Dezelfde redenering is van toepassing op SMK. In een beroemd voorbeeld hiervan evalueerde de psychiater Fred Berlin de geestesgesteldheid van de president van American University, die net wegens het plegen van obscene telefoongesprekken gearresteerd was. Berlin hoorde van zijn patiënt dat hij op elfjarige leeftijd een incestueuze relatie met zijn moeder had gehad, maar ook dat hij op verschillende momenten tijdens zijn kinderjaren herhaaldelijk slachtoffer van ernstige lichamelijke mishandeling was geweest. Berlin, overtuigd van de kracht van het causale verband tussen SMK en latere geestesstoornissen, richtte zich uitsluitend op het incestaspect als de oorzaak van de huidige problemen van zijn patiënt, en gebruikte deze zaak vervolgens als het zoveelste voorbeeld om aan te geven hoe vernietigend SMK is. Echter, gegeven de rol van het veel prominentere en veel meer alomtegenwoordige lichamelijke misbruik moeten zijn gevolgtrekkingen op zijn best dubieus genoemd worden.

Waar het om draait in dit voorbeeld is dat het geloof van de psychiater in de schadelijkheid van SMK versterkt wordt door zijn selectieve aandacht voor het bewijs, dat niet wetenschappelijk valide is. Hiermee wordt niet gezegd dat SMK nooit de oorzaak is van het verminderd welbevinden van een patiënt, maar wel dat de verwachtingen van een therapeut de perceptie dat SMK tot verminderd welbevinden leidt, substantieel kan versterken.

 

Subjectiviteit en onnauwkeurigheid

Kwalitatieve literatuuronderzoeken zijn geheel verhalend en daarmee blootgesteld aan subjectieve interpretaties van de onderzoekers. Onderzoekers die ervan overtuigd zijn dat SMK een belangrijke oorzaak is van psychische stoornissen bij volwassenen kunnen ten prooi vallen aan 'de bevestigingsfout' - dat wil zeggen: zij zien en beschrijven alleen die uitkomsten die op schadelijke gevolgen wijzen en besteden geen of minder aandacht aan resultaten die op niet-negatieve of positieve gevolgen wijzen, waarmee zij in hun opvattingen bevestigd worden. Analoog hieraan zie je hetzelfde bij mensen die in astrologie geloven en zeer onder de indruk zijn als een voorspelling uit een horoscoop uitkomt, maar tegelijkertijd geneigd zijn om het grote aantal gevallen waarin dat niet het geval is snel weer te vergeten. Door middel van de bevestigingsfout zijn zij overtuigd van de voorspellende waarde van astrologie.

Een voorbeeld van een bevestigingsfout in SMK-onderzoek is het onderzoek van Mendel, die in zijn literatuurstudie een onderzoek behandelde, bestaande uit twee gescheiden steekproeven van mannelijke studenten. In de eerste steekproef werd geen verband aangetroffen tussen SMK en verminderd welbevinden. In de tweede, kleinere, steekproef werd wel een gering verband geconstateerd. Mendel negeerde de resultaten uit de eerste steekproef, maar gebruikte de tweede om zijn bewering te staven dat SMK verminderd welbevinden tot gevoeg heeft. Deze selectieve aandacht voor bevestigende resultaten vormt een ernstig probleem in veel kwalitatieve literatuuronderzoeken.

Een ander probleem heeft te maken met nauwkeurigheid. In het voorbeeld van Mendels onderzoek dat we zojuist besproken hebben, gebruikte hij het bevestigende voorbeeld om te stellen dat SMK depressie, psychische angsten etc. tot gevolg heeft. Wat hij daarbij niet vermeldde was dat het gevonden verband in deze steekproef tussen SMK en genoemde symptomen gering is. Toch is dit uiterst belangrijke informatie omdat er geen valide redenen zijn om uit deze resultaten te concluderen, zoals Mendel deed, dat de gevolgen van SMK intens zijn. Dit is een constant probleem in deze kwalitatieve literatuuronderzoeken: onderzoeken wijzen geringe maar statistisch significante verschillen uit, maar onderzoekers blazen deze gegevens op door van ernstige gevolgen te spreken. Wat vereist is, is dat literatuuronderzoekers nauwkeurig met de statistische gegevens omspringen; anders is de kans levensgroot aanwezig dat zij, als ze op voorhand al overtuigd zijn van de destructieve gevolgen van SMK, de resultaten overdrijven.

 

Kwantitatieve Literatuuronderzoeken.

Om de problemen van kwalitatief literatuuronderzoek te omzeilen, is een aantal onderzoekers vanaf het midden van de jaren negentig begonnen met kwantitatief literatuuronderzoek. Dit literatuuronderzoek is gebaseerd op een statistische methode die meta-analyse heet. In meta-analyses verzamelt de onderzoeker een aantal onderzoeksverslagen waarin het welbevinden van personen met SMK-ervaringen vergeleken wordt met een controlegroep. Vervolgens neemt de onderzoeker de statistische informatie uit elk onderzoek waarin de beide groepen met elkaar vergeleken worden over en converteert deze tot een nieuw geheel van statistische gegevens. Tenslotte berekent de onderzoeker het gemiddelde van al deze statistische waarden om te zien wat het geheel van deze onderzoeken over het verband tussen SMK en psychisch welbevinden te zeggen heeft.

De gemeenschappelijke waarde die uit elk van de onderzoeken uit de meta-analyses die we hier zullen bespreken werd verkregen, wordt effectomvang genoemd. De effectomvang vertelt ons precies hoe groot het verschil is in psychisch welbevinden tussen mensen met SMK-ervaringen en personen uit de controlegroepen. Dit is iets anders dan het louter vaststellen dat de beide groepen een statistisch significant verschil vertonen, want een dergelijk verschil kan heel klein of heel groot zijn. De effectomvang vertelt ons of dit verschil klein of groot is.

Als je bijvoorbeeld een gulden kunt besparen op een artikel van duizend gulden door het in winkel A te kopen in plaats van winkel B, dan is er een verschil, maar het is heel klein. Bespaar je 200 gulden, dan wordt het interessant. Als consument wil je weten hoeveel je kunt besparen door naar winkel A te gaan, niet alleen of je iets bespaart.

Om de presentatie wat te vergemakkelijken, en gegeven het feit dat niet ieder van u met statistiek bekend is, zullen wij de effectomvang op de volgende manier weergeven. Stelt U zich voor dat we een groep mensen hebben, waarvan sommige SMK-ervaringen hebben en andere niet. U zult zich kunnen voorstellen dat er de nodige variatie bestaat in beide groepen met betrekking tot het psychisch welbevinden van de verschillende personen. Met sommigen is het wat betreft het psychisch welbevinden uitstekend gesteld, maar anderen gaat het matig, een aantal lijdt onder een verminderd welbevinden en met een enkeling gaat het ronduit slecht. Als SMK een erg sterk effect heeft op het welbevinden, dan zou SMK verantwoordelijk gesteld moeten worden voor ten minste 50% van de variabiliteit in het welbevinden onder alle personen. Heeft SMK een sterk effect dan neemt SMK ten minste 25% voor zijn rekening, bij een gemiddeld effect ten minste 10%, en bij een klein effect ten minste 1%.

De onderzoekster Jumper nam in haar onderzoek uit 1995 algemene bevolkingssteekproeven, studentensteekproeven en klinische steekproeven op in haar meta-analyse van de relatie tussen SMK en welbevinden. Ze berekende de gemiddelde effectomvang per steekproeftype. Nadat ze enkele fouten die ze gemaakt had corrigeerde, toonden haar resultaten dat SMK verantwoordelijk was voor 0,8% van de variantie in het welbevinden in de studentensteekproeven, voor 2,25% van de variantie in de algemene bevolkingssteekproeven en voor 7,30% In de klinische steekproeven. Met andere woorden, er bleek een verband tussen SMK en welbevinden, maar deze relatie was klein bij de niet-klinische steekproeven en gemiddeld bij klinische steekproeven.

In 1996 publiceerde een andere groep onderzoekers een tweede meta-analyse. Zij berekenden de gemiddelde effectomvangen voor respectievelijk niet-klinische en klinische steekproeven. De mate van variabiliteit veroorzaakt door SMK was 1,4% voor de niet-klinische steekproeven en 3,6% voor de klinische steekproeven.

Deze beide kwantitatieve literatuuronderzoeken vormen op een aantal manieren een vooruitgang ten opzichte van kwalitatief literatuuronderzoek.

Ten eerste vermijden zij subjectieve interpretaties.

Ten tweede bevatten zij grote aantallen niet-klinische steekproeven.

Ten derde analyseerden zij de verschillende steekproeven afzonderlijk.

Het beeld dat vervolgens opdoemt, ziet er als volgt uit: klinische steekproeven verschillen duidelijk van niet-klinische steekproeven. Dit toont op empirische gronden aan dat het niet terecht is uit klinische rapportages omtrent SMK conclusies te trekken die de hele bevolking aangaan. Tevens blijkt dat, hoewel er een verband bestaat tussen SMK en verminderd welbevinden in niet-klinische steekproeven, dit verband klein is. Dit betekent dat de bewering dat SMK op grote schaal ernstige en blijvende schade veroorzaakt schromelijk overdreven is.

Belde onderzoeken, tot een jaar geleden de enige gepubliceerde meta-analyses, kenmerken zich echter door een aantal belangrijke minpunten, die voor ons uiteindelijk de reden zouden vormen on onze eigen meta-analyses uit te voeren.

Op de eerste plaats worden er nauwelijks steekproeven met mannen onderzocht - geen enkele in het tweede onderzoek.

Op de tweede plaats ging geen van de onderzoeken in op de vraag in hoeverre het aangetoonde verband tussen SMK en verminderd welbevinden veroorzaakt wordt door SMK of door ongunstige gezinsomstandigheden.

Op de derde plaats leverden de onderzoeken geen gegevens op over de schaal van de effecten. Als SMK een effect heeft, gaat dat dan op voor 100% van alle mensen met SMK-ervaringen of voor 50% of 10% of een ander percentage?

Op de vierde plaats werd er niets gezegd over hoe de betrokken personen op hun seksuele ervaringen gereageerd hebben. Het is mogelijk dat enkelen of zelfs velen niet negatief gereageerd hebben. Het heersende denken biedt geen ruimte aan deze mogelijkheid, maar objectieve wetenschap moet deze vragen stellen om zo de validiteit van de algemene veronderstellingen omtrent SMK te kunnen toetsen.

In een poging deze beide meta-analyses te verbeteren, hebben wij twee eigen onderzoeken verricht. Wij verrichtten deze meta-analyses om de heersende veronderstelling te toetsen dat SMK onder de algemene bevolking tot intense schade leidt, op grote schaal voorkomt en voor jongens en meisjes dezelfde negatieve gevolgen heeft. Omdat onze belangstelling uitging naar SMK-ervaringen onder de algemene bevolking hebben wij ons uitsluitend gericht op niet-klinische steekproeven. Deze beperking is gerechtvaardigd omdat de twee meta-analyses die wij voorheen bespraken, aantonen dat (en dit gaat op voor het gros van onderzoeken naar gedrag) bevindingen uit klinische steekproeven niet gegeneraliseerd kunnen worden. Om inzicht te krijgen in de aard van SMK, en om te onderzoeken of SMK per se schadelijk is, zijn het de mensen in de algemene bevolking die onderzocht moeten worden.

 

Landelijke steekproeven

Om nog eens te recapituleren: onze samenleving is er de afgelopen twintig jaar van overtuigd geraakt dat SMK een bijzondere bedreiging vormt voor de geestelijke gezondheid van volwassenen. Dit impliceert dat de SMK-ervaringen van de betrokken persoon, of deze nu man of vrouw is, intense schade tot gevolg heeft. De beste manier om deze veronderstelling te toetsen, zou zijn om de hele bevolking te onderzoeken. Dit is natuurlijk onmogelijk. De op een na beste benadering is het nemen van een representatieve steekproef onder de bevolking en te proberen daar conclusies uit te trekken. Dit is precies wat een aantal onderzoekers in verschillende landen gedaan heeft. Zij hebben landelijke steekproeven genomen. Dit zijn steekproeven die zo samengesteld zijn dat zij een representatief beeld van de bevolking van het gegeven land geven. De gegevens verkregen uit deze steekproeven omtrent het verband tussen SMK en welbevinden zijn uiterst belangrijk omdat zij een veel beter beeld geven van de typische gevallen dan informatie uit klinische steekproeven.

Een paar jaar geleden verzamelden wij de resultaten uit alle onderzoeken, gebaseerd op landelijke steekproeven, die ingingen op de relatie tussen SMK en psychisch welbevinden. In onze eerste tabel vindt U een opsomming van deze onderzoeken en enkele van hun kenmerken. Ten eerste zien wij dat vier van deze steekproeven in de Verenigde Staten verricht zijn en vervolgens een in Canada, een in Groot Brittannië en een in Spanje. In een aantal onderzoeken werd van mondelinge interviews gebruik gemaakt, andere werden telefonisch afgenomen, twee onderzoeken gebruikten vragenlijsten die de persoon zelf invulde terwijl een onderzoeker in de nabijheid aanwezig was, en in een onderzoek werden de vragenlijsten opgestuurd.

Twee onderzoeken gingen uitsluitend in op SMK-ervaringen die de deelnemers als ongewenst beschouwden, vijf andere steekproeven bevatten zowel gewenste als ongewenste SMK-gebeurtenissen. Zoals in de tabel te lezen valt, namen grote aantallen personen aan deze steekproeven deel. Het percentage deelnemers met SMK-ervaringen loopt uiteen van 6% tot 36% voor mannen en van 14% tot 51% voor vrouwen. De percentages lopen zover uiteen omdat ook de gehanteerde definities van SMK zeer uiteenlopend waren. Na uitsluiting van twee onderzoeken waarin de definities te ruim leken (en waar bijvoorbeeld ook gewenste seksuele ervaringen tussen broers en zussen als SMK worden aangemerkt), lopen de percentages voor mannen uiteen van 6% tot 15% met een gemiddelde van 11%, en voor vrouwen van 14% tot 28% mat een gemiddelde van 19%. Op dit moment is de beste inschatting van het voorkomen van SMK dus 11% voor mannen en 19% voor vrouwen.

 

Tabel 1

Kenmerken van zeven onderzoeken, gebaseerd op landelijke steekproeven, naar psychologische verbanden of effecten van seksueel contact met volwassenen..

Onderzoek

Onder-

Zochte

personen

Wijze van gegevens

verzamelena

Definitie

van SMKb

Steekproefc

Voorkomen

Van SMK d

Res-pons

%

Man-nen

Vrouwen

Man-

nen

Vrouwen

Badgley et al. (1984)

Canada

Leeft. 18+

SAQ

Alle ongewenste seks; C, NC

1002

1006

31%

53%

94%

Baker & Duncan (1985)

Great Britt.

Leeft. 15+

FTF

<16 ("seksueel

gerijpt"); C,NC

834

923

9%

14%

87%

Bigler (1992

US: leeft.

30 tot 55

Mail

<18 (5+,gezin of gedwongen); C,NC

140

174

36%

51%

33%

Boney-McCoy & Finkelhhor (1995)

US: leeft.

10 tot 16

Tele

Alle ongewenste seks; C, NC

987

911

6%

15%

72%

Finkelhor et al. (1989)

US:

Leeft. 18+

Tele

<19; Iedere vorm van seks die nu SMK heet; C,NC

1142

1476

15%

28%

76%

Laumann et al. (1994)

US: leeft.

18 tot 59

FTF

<pubereit (na de puberteit); C only

1311

1608

12%

17%

79%

Lopez et al. (1995)

Spanje: leeft.

18 tot 60

FTF, SAQ

<17 (5+, of dwang); C,NC.

462

433

15%

22%

82%

 

  1. FTF = face to face interviews: rechtstreekse gesprekken; SAQ = self-administered questionaires: zelf ingevulde vragenlijsten; Mail = mail survey: per post verstuurde vragelijsten; Tele = telephone survey: telefonische interviews.

  2. Eerst de leeftijd van wie als kind gezien wordt, dan tussen haakjes de leeftijd van de andere persoon en de overige omstandigheden.

  3. C=contact sex (seks waarbij lichamelijk contact was), NC=noncontact sexual experience (seksuele ervaring zonder lichamelijk contact)

  4. Het aantal respondenten, gebruikt in de analyses van de gegevens in onderzoeken die de mate van welbevinden onderzoeken; of het feitelijk aantal deelnemers.

  5. Gebaseerd op het feitelijk aantal respondenten dat deelnam.

In deze onderzoeken werden twee soorten van resultaten gerapporteerd die bruikbaar bleken voor het toetsen van de algemeen heersende veronderstellingen omtrent SMK. De eerste resultaten waren afkomstig van in zelfrapportages gemelde effecten - dat wil zeggen of de betrokken personen van mening waren dat de seksuele ervaring hen op een negatieve, neutrale of positieve wijze beïnvloed had. De tweede set van resultaten was afkomstig uit objectieve metingen van psychisch of seksueel welbevinden.

Laten wij eerst eens naar de effecten uit de zelfrapportages kijken. Tabel 2 toont de resultaten van de drie onderzoeken die van deze methode gebruik maakten. In het onderzoek van Badglay werd deelnemers gevraagd naar hun eerste ongewenste seksuele ervaring, indien aanwezig. Op de vraag of zij op het moment zelf door de ervaring emotioneel of psychisch geschaad waren, antwoordde 7% van de mannen en 24% van de vrouwen bevestigend. Merk op dat deze cijfers gebaseerd zijn op ongewenste ervaringen en tevens dat er tussen de geslachten sprake blijkt te zijn van een substantieel verschil in perceptie.

In een tweede onderzoek, verricht door Baker en Duncan in Groot BrIttannië, werd deelnemers gevraagd naar SMK-ervaringen die voor de leeftijd van 16 jaar hadden plaatsgevonden. Dat leverde de volgende indeling op van zelf-waargenomen gevolgen (zie onderaan Tabel 2): van mannen met SMK-ervaringen meldde 4% dat de ervaring blijvende schade tot gevolg had gehad; 33% zei dat het op het moment zelf schadelijk was geweest, maar geen blijvende effecten tot gevolg had gehad; 57% berichtte dat er geen gevolgen waren; en 6% stelde dat de ervaring de kwaliteit van hun leven verbeterd had. De indeling voor vrouwen met SMK-ervaringen was: 13% meldde een blijvende schade; 51% stelde dat de ervaring op het moment zelf schadelijk was geweest, maar zonder blijvende gevolgen; 34% zal dat het geen gevolgen had gehad; 2% merkte op dat het de kwaliteit van hun leven verbeterd had. Deze resultaten staan in schrille tegenstelling tot de populaire veronderstelling dat de slachtoffers SMK voor het leven getekend zijn: slechts 4% van de mannen en 13% van de vrouwen gaf te kennen dat de schade blijvend was. Zoals we kunnen zien (in het bovenste deel van tabel 2) voelde 37% van de mannen zich op een of andere manier geschaad, wat inhoudt dat 63% dat niet vond; voor vrouwen zijn deze percentages precies omgekeerd, met 64% die zich op een of andere manier geschaad achtten. Opnieuw blijkt er een duidelijk verschil tussen de seksen. In het laatste onderzoek vroeg Laumann de deelnemers naar SMK-ervaringen van voor het begin van de puberteit. Van de mannen gaf 45% te kennen dat zij op een of andere manier schade hadden ondervonden, en van de vrouwen 70%. Opnieuw is er sprake van een duidelijk verschil tussen de seksen

 

Tabel 2

Percentages van negatieve psychische gevolgen van SMK, zoals vermeld in zelfrapportage van mannen en vrouwen in landelijke steekproeven

Onderzoek

Tijdsperiode

Mannen

Vrouwen

%

N

%

N

Badgley et al. (1984)a

Alleen toen

7

307

24

538

Baker & Duncan (1985)b

Toen en daarna

37

79

64

119

Laumann et al. (1994)c

Toen en daarna

45

134

70

278

 

a De gegevens zijn gebaseerd op de eerste ongewenste seksuele ervaring, die in 2/3 van de gevallen plaatsvond voor de leeftijd van 18 jaar.
b De gegevens zijn gebaseerd op SMK beneden de leeftijd van 16 jaar.

 

c De gegevens zijn gebaseerd op seksueel getinte aanraking met oudere personen, voor de puberteit.

Baker & Duncan (1985)

Vr Vragen

Mannen (n=79)

Vrouwen (n=119)

Blijvende schade

4%

13%

Schade toen, maar geen blijvende gevolgen

33%

51%

Geen gevolgen

57%

34%

Kwaliteit van leven verbeterd

6%

2%

 

Als deze drie onderzoeken gezamenlijk bekeken worden, blijkt dat slechts een minderheid van de jongens negatieve gevolgen waarnam, tegenover een meerderheid van de meisjes. Verder valt op dat blijvende schade zeldzaam is. Deze bevindingen trekken de veronderstellingen in twijfel dat de schade normaal gesproken blijvend is, op grote schaal voorkomt (voornamelijk bij jongens) en dat jongens en meisjes op eenzelfde manier reageren.

Vervolgens onderzochten wij de relatie tussen SMK en psychisch of seksueel welbevinden door de gegevens te evalueren die voortkwamen uit de vergelijking tussen mensen met SMK-ervaringen en controlegroepen. Zoals in Tabel 3 getoond wordt, verschaften vijf van de onderzoeken relevante gegevens. De effectomvangen worden in de tabel voor mannen en vrouwen afzonderlijk getoond. Opnieuw geven deze effectomvangen het percentage van de variabiliteit in welbevinden aan dat SMK onder alle personen voor zijn rekening neemt. Voor mannen loopt dit uiteen van 0,16% tot 1,44% en voor vrouwen van 0,25% tot 4,00%. De gemiddelde effectomvangen waren 0,49% voor mannen en 1,00% voor vrouwen.

Deze resultaten laten verschillende dingen zien. Ten eerste vertonen mannen en vrouwen met een SMK-geschiedenis een verminderd welbevinden in vergelijking met personen uit de controlegroepen. Ten tweede blijken deze verschillen, hoewel statistisch significant, klein te zijn. Bij mannen moet de variabiliteit in het welbevinden bijvoorbeeld voor 99,51% aan andere factoren dan SMK toegeschreven worden. Dit resultaat wijst er, in tegenstelling tot wat gewoonlijk aangenomen wordt, niet op dat SMK gemiddeld een belangrijke factor is in het psychisch of seksueel welbevinden van personen met deze ervaringen

 

Tabel 3

Percentage van de variantie in de mate van welbevinden, voor zover deze aan SMK zijn toe te schrijven, in landelijke steekproeven

Onderzoek

Mannen

Vrouwen

N

%

N

%

Bigler (1992)

140

0.49

174

2.89

Boney-McCoy & Finkelhor (1995)

987

1.44

911

4.00

Finkelhor et al. (1989)

1142

0.25

1476

0.49

Laumann et al. (1994)

1311

0.49

1608

0.25

López et al. (1995)

462

0.16

433

0.81

Totalen

4042

0.49*

4602

1.00*

 

* Deze resultaten zijn statistisch significant.

 

Samenvattend kunnen we uit deze meta-analyse de volgende conclusies trekken: deze bevindingen zijn veel relevanter voor onze poging inzicht te krijgen in de aard van SMK-ervaringen dan bevindingen uit klinisch onderzoek. Tevens weerspreken de resultaten de veronderstellingen omtrent wijdverbreide, blijvende schade. Ook weerspreken deze resultaten de veel gehoorde opvatting dat SMK intense schade tot gevolg heeft. Immers, voor intense schade hadden de effectomvangen groot of op zijn minst gemiddeld moeten zijn. De effectomvangen zijn echter klein. Hieraan kan nog toegevoegd worden dat jongens veel minder negatief blijken te reageren dan meisjes, wat in tegenspraak is met de veronderstelling dat jongens en meisjes In gelijke mate negatief reageren.

De laatste veronderstelling die wij kritisch onder de loep namen, is de vraag of het kleine maar statistisch significante verschil in welbevinden tussen mensen met SMK-ervaringen en de controlegroepen, daadwerkelijk het gevolg van SMK Is. Met andere woorden: is SMK wel de werkelijke oorzaak van het geringe verminderd welbevinden? Wanneer we het over causaliteit hebben, moeten we eerst enkele basiselementen van de methodologie in ogenschouw nemen.

In de VS Is het I.Q. van blanken gemiddeld 15 punten hoger dan dat van zwarten. Mag men daaruit afleiden dat ras de oorzaak Is van verschil In I.Q.? Als je dat zou dan doen, dan wordt je voor racist uitgemaakt, en terecht. Blanken en zwarten verschillen niet alleen qua ras, naar ook qua sociaal-economische status alsmede een aantal andere factoren. Het is heel wel mogelijk dat opgroeien in een armere omgeving verschillen in I.Q. tot gevolg heeft. De thuisomgeving heeft een grote invloed op de intellectuele ontwikkeling en kan de rol hebben van een derde variabele die geheel verantwoordelijk is voor het verband tussen de twee hoofdvariabelen, ras en I.Q.

Tussen twee haakjes, een verschil In I.Q. van 15 punten tussen twee rassen kan op de volgende manier tot uitdrukking gebracht worden: ras neemt 34% van de variabiliteit in I.Q.-scores tussen blanken en zwarten voor zijn rekening. In onze landelijke steekproeven is SMK slechts verantwoordelijk voor 1% van de variantie in welbevinden voor vrouwen en 0,5% voor mannen. Hiermee vergeleken is de factor ras 34 tot 68 keer sterker als verantwoordelijke voor I.Q. varianties. Als we dus kunnen beweren dat de verschillen In I.Q. per ras niet door de factor ras veroorzaakt worden, maar door een armere thuisomgeving, dan is het ons zeker toegestaan om de mogelijkheid In overweging te nemen dat dit argument ook voor SMK opgaat: dat de kleine verschillen in welbevinden aan verschillen in thuisomgeving toegeschreven kunnen worden. Dit is een redelijke veronderstelling. Kinderen uit gebroken gezinnen staan minder onder toezicht en zijn vatbaarder voor, of meer geneigd tot niet-normatief gedrag, zoals het gebruik van drugs, spijbelen en het betrokken raken bij vormen van seks waar een taboe op rust (zoals seks met volwassenen). Vanuit dit oogmerk bezien, zijn zij door hun ongunstige thuissituatie niet alleen als het ware voorbestemd voor SMK, maar zijn zij ook tot een verminderd welbevinden voorbestemd. Dit scenario doet vermoeden dat het verband dat wij vonden tussen SMK en welbevinden wel eens een schijnverband zou kunnen zijn, of, als het verband toch causaal is, nog zwakker dan het al was.

De onderzoeker Finkelhor was bij twee van de Amerikaanse onderzoeken betrokken. Hij en zijn collega's gebruikten statistische technieken om verschillende andere variabelen die mogelijkerwijs verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor het statisch significante verband tussen SMK en welbevinden dat zij aantroffen uit te factoriseren. In beide studies bleef dit verband na deze procedure statistisch significant. Hij en zijn collega's stelden daarop dat dit aantoont dat SMK daadwerkelijk een verminderd welbevinden tot gevolg heeft. Als kritiek op Finkelhors benadering stellen wij vast dat zijn groep een aantal variabelen niet geverifieerd heeft, waarvan andere onderzoekers hebben aangetoond dat deze verantwoordelijk kunnen zijn voor het verband tussen SMK en welbevinden. Tot deze variabalen behoren lichamelijke mishandeling en emotionele verwaarlozing, die nogal eens met SMK verweven blijken te zijn - wat wil zeggen, gelijktijdig plaatsvinden met de SMK-ervaringen.

De onderzoekster Wiesnieski bijvoorbeeld onderzocht SMK-ervaringen in 32 steekproeven van studenten, geselecteerd op grond van het feit dat deze gezamenlijk representatief zijn voor de hele Amerikaanse studentenpopulatie. Nadat zij de niet-seksuele misbruik variabelen statistisch uitgefactoriseerd had, bleek de relatie tussen SMK en welbevinden verdwenen. Hieruit concludeerde zij dat 'de gegevens niet ondersteunen dat SMK de specifieke verklaring vormt voor de huidige emotionele problemen. De gegevens kunnen het best geïnterpreteerd worden als aanvulling op andere factoren zoals geweld in het gezin, dat de grootste invloed heeft op de huidige emotionaliteit.' Tijdens de bespreking van de resultaten van de tweede meta-analyse zullen wij op het onderwerp van causaliteit en statistische controle terugkomen.

 

Studentensteekproeven

De landelijke steekproeven bleken van groot nut bij het toetsen van de heersende opvattingen omtrent SMK. Enkele van hun tekortkomingen zijn echter dat er zeer weinig van dit soort onderzoeken gedaan zijn, dat zij weinig gegevens bevatten over reacties op SMK-ervaringen en onvoldoende informatie bieden om de veronderstelde causaliteit van de schade in te schatten. Dus verrichtten wij een tweede meta-analyse die gebaseerd is op een andere groep van niet-klinische steekproeven, studentensteekproeven. Om een aantal redenen hebban wij voor deze steekproeven gekozen. Een reden is dat deze steekproeven het grootste aantal niet-klinische steekproeven van dezelfde soort vertegenwoordigen. Ondanks het feit dat mensen die tertiair onderwijs hebben gevolgd, verschillen van mensen zonder deze achtergrond, zijn wij van mening dat studentensteekproeven van belang zijn voor het beantwoorden van vragen met betrekking tot bevolkingskarakteristieken - dat wil zeggen: de vraag hoe de typische persoon met SMK op deze ervaringen reageert - omdat in de Verenigde Staten ten minste 50% van de volwassen bevolking een of andere vorm van tertiair onderwijs gevolgd heeft. Een ander voordeel van steekproeven onder studenten is dat deze steekproeven door universitaire onderzoekers verricht worden, die er doorgaans in slagen om goed onderzoek af te leveren en dikwijls rekening houden met factoren betreffende de gezinssituatie. Deze Informatie, die niet systematisch beschikbaar is In klinisch onderzoek of zelfs in de nationale steekproeven, is van belang bij het bestuderen van de mogelijk causale rol die SMK speelt bij het veroorzaken van negatieve effecten. Tevens verschaffen deze onderzoeken een rijke bron aan gegevens voor de bestudering van reacties op SMK-ervaringen, die niet uit andere literatuur te halen is. Deze Informatie is van belang voor het nauwkeurig onderzoeken van de vermoedens omtrent SMK, zoals zowel de verbreidheid en intensiteit van de effecten, als de gelijkwaardigheid in reactie van jongens en meisjes.

Bij elkaar genomen verzamelden wij 59 bruikbare onderzoeken voor de bestudering van de relatie tussen SMK en welbevinden, reacties, en effecten uit zelfrapportages. Voor de bestudering van het verband tussen SMK en welbevinden werden 54 onderzoeken gebruikt, bestaand uit 3.254 mannelijke subjecten uit 18 steekproeven en 12.570 vrouwelijke subjecten uit 40 steekproeven. Reacties en effecten uit zelfrapportages werden gebaseerd op 783 mannelijke subjecten uit 13 steekproeven en 2.353 vrouwelijke subjecten uit 14 steekproeven.

In de onderzoeken werden verschillende definities van SMK gehanteerd. Zo beperkten 20% van de onderzoeken hun definitie tot uitsluitend ongewenste SMK-ervaringen. De definitie van de overige 80% bevatte zowel gewenste als ongewenste SMK-ervaringen, waarbij SMK voor het overgrote deel gedefinieerd werd als een leeftijdsverschil tussen de partners van 5 of meer jaar wanneer de jongere partner jonger dan 16 of 17 is. Met in acht name van de verschillen in definities was het voorkomen van SMK als volgt: gebaseerd op 26 steekproeven met 13.704 mannelijke subjecten kwam het aantal mannen met SMK-ervaringen uit op 14%. Voor vrouwen lag dit percentage, gebaseerd op 45 steekproeven met 21.999 vrouwelijke subjecten, op 27%.

Sommige onderzoekers hebben beweerd dat studentensteekproeven minder informatie bevatten over de effecten van de ernstiger vormen van SMK, omdat studenten aan minder ernstige vormen van SMK zouden zijn blootgesteld dan mensen uit de algemene bevolking. Door terug te gaan naar de relevante gegevens uit de landelijke steekproeven en door de studentensteekproeven te onderzoeken en de overeenkomstige waarden te berekenen, waren wij in staat on dit vermoeden te toetsen.

Tabel 4 toont enkele van deze resultaten. Er wordt wel beweerd dat de ernst van de gevolgen toeneemt van, op het laagste niveau, SMK-ervaringen zonder lichamelijk contact (zoals bij exhibitionisme), naar strelen, naar orale seks, naar geslachtsgemeenschap. In deze tabel valt te zien dat subjecten uit de studentensteekproeven net zo vaak geslachtsgemeenschap hadden meegemaakt als subjecten uit de nationale steekproeven - en veel vaker in het geval van mannen. Verwantschap tussen de jongere en de oudere participant wordt vaak als een indicator van de schadelijkheid van het contact beschouwd, met incest als de meest ernstige.

Tabel 5 laat zien dat incest net zo vaak voorkomt onder subjecten uit de studentensteekproeven als onder de hele bevolking. Een andere veel gebruikte indicator voor de ernst is de frequentie van de SMK-ervaringen, wat wil zeggen dat meervoudige SMK-gebeurtenissen als ernstiger worden beschouwd dan enkelvoudige. In zowel de studentensteekproeven als in de nationale steekproeven ging het bij grofweg de helft van de subjecten met SMK-ervaringen om meervoudige SMK-gebeurtenissen, wat in termen van ernst opnieuw op overeenkomsten duidt. Wij leiden uit deze vergelijkingen af dat, omdat de aard van de SMK in studentensteekproeven en landelijke steekproeven nagenoeg overeenkomt, het gebruik van studentensteekproeven en vragen over SMK in de algemene bevolking te beantwoorden, alleszins gerechtvaardigd is.

 

Tabel 4

Schattingen van het voorkomen van vier typen SMK in studenten- en landelijke steekproeven

Steekproef / sekse

k

N

Exhibitionisme

Strelen

Orale seks

Geslachtsgemeenschapa

Studenten

 

Vrouwen

13

2172

32%

39%

3%

13%

 

Mannen

9

506

22%

51%

14%

33%

 

Beideb

26

2918

28%

42%

6%

17%

Landelijkc

 

Vrouwen

3

590

38%

67%

9%

16%

 

Mannen

3

366

25%

69%

22%

13%

 

Beide

6

956

33%

68%

14%

15%

 

Opmerking.

K is het aantal steekproeven en N is het aantal SMK respondenten in deze steekproeven, waarop de schatting van het voorkomen van typen SMK is gebaseerd. De schattingen zijn de gewogen gemiddelden van de afzonderlijke steekproeven. Schattingen onder de studenten zijn afkomstig van de onderzoeken die in dit artikel besproken zijn; schattingen van de landelijke bevolking zijn afkomstig van drie onderzoeken van landelijke steekproeven (Baker & Duncan, 1985; Laumann et al., 1994; Lopéz et al., 1995).

  1. In enkele onderzoeken van studenten en nationale steekproeven wordt met geslachtsgemeenschap ook bedoeld een poging tot

  2. Deze waarden zijn gebaseerd op twee andere onderzoeken (met elk steekproeven van mannen en van vouwen), die alleen de resultaten voor beide groepen weergeven

  3. Over exhibitionisme hebben alleen Lopéz e.a. gerapporteerd (vrouwen k = 1, N = 203; mannen: k = 1, N = 134; beiden: k = 2, N = 337); over orale seks is alleen door Laumann et al. en Lopéz et al. gerapporteerd (vrouwen: k = 2, N = 476; mannen: k = 2, N = 291; beiden: k = 4, N = 767).

 

Tabel 5

Schatting van het voorkomen van typen relaties tussen de SMK respondenten en hun partners/misbruikers in studenten- en landelijke steekproeven.

 

 

Sekse

SMK door verwanten

SMK binnen het gezin

Studentena

Landelijkb

Studentenc

Landelijkb

N

%

N

%

N

%

N

%

Vrouwen

2735

37

606

34

792

20

606

15

Mannen

580

23

375

13

270

8

375

4

Beiden

3569

35

981

26

1275

16

981

11

 

Opmerking.

'SMK binnen het gezin' duidt op seksuele relaties met nauwe verwanten (b.v. biologische ouders, stiefouders, grootouders en oudere broers en zussen). 'SMK door verwanten' duidt zowel op het eigen gezin als op relaties met andere verwanten. De schattingen zijn de gewogen gemiddelden van de cijfers van de afzonderlijke steekproeven. De schattingen aangaande de studenten komen van onderzoeken die in dit artikel zijn besproken; die van de nationale populatie komen uit drie onderzoeken met landelijke steekproeven (Baker & Duncan, 1985; Laumann et al., 1994; Lopéz et al., 1995).

 a Gebaseerd op respectievelijk 21, 9, en 33 steekproeven van vrouwen, mannen, en beide,

 b Gebaseerd op respectievelijk 3, 3, and 6 steekproeven van vrouwen, mannen, en beide.

 c Gebaseerd op respectievelijk 10, 6, and 19 steekproeven van vrouwen, mannen, en beide.

 

Vervolgens bestudeerden wij de relatie tussen SMK en welbevinden door een meta-analyse toe te passen op de resultaten uit de 54 steekproeven die bruikbaar statistisch materiaal verschaften. Hieruit bleek dat, gebaseerd op 15.912 subjecten, het deel van de gemiddelde variabiliteit van de scores op welbevinden waar SMK voor verantwoordelijk is, op 0,81% gesteld moet worden, wat betekent dat SMK niet verantwoordelijk is voor de overige 99,19% variabiliteit in welbevinden. Niettemin was dit kleine verschil In welbevinden statistisch significant, waarbij subjecten met SMK-ervaringen een ietwat verminderd welbevinden vertoonden. Voorts verrichtten wij voor mannen en vrouwen een afzonderlijke meta-analyse op de relatie tussen SMK en welbevinden.

Zoals in tabel 6 te zien is, nam SMK 0,49% in de variabiliteit in welbevinden voor mannen voor zijn rekening en 1% voor vrouwen - cijfers die exact overeenkomen met de waarden uit de landelijke steekproeven. Het is van belang om hier te benadrukken dat studentensteekproeven en landelijke steekproeven opmerkelijke overeenkomsten vertonen inzake het voorkomen, van de soorten van SMK en de omvang van de relatie tussen SMK en welbevinden. Deze bevindingen wijzen er op dat de gegevens uit studentensteekproeven substantieel waardevoller zijn dan gegevens uit klinische steekproeven bij de poging inzicht te verwerven in de aard van SMK in de hele bevolking.

 

Tabel 6

Meta-analyse van de relaties tussen SMK en welbevinden bij mannelijke en vrouwelijke studenten

Sekse

k

N

% variantie

Mannen

14

2947

0.49

Vrouwen

33

11631

1.00

 

Opmerking: k duidt op het aantal steekproeven; N is het totaal aantal subjecten in de k steekproeven. % variantie geeft het percentage weer van de variabiliteit in welbevinden waar SMK voor verantwoordelijk is.

 

Omdat een forse minderheid van de onderzoeken hun definities van SMK beperkten tot uitsluitend ongewenste seks, namen wij de gelegenheid te baat om de verbanden te onderzoeken tussen SMK en welbevinden als een functie van de mate van participatie. Wij onderzochten dit voor mannen en vrouwen afzonderlijk.

Tabel 7 toont de resultaten. Bij mannen bleek dat, wanneer uitsluitend de steekproeven gebruikt worden waarin SMK zowel op gewenste als ongewenste seks duidt, SMK 0.16% van de variabiliteit van het welbevinden voor zijn rekening nam. Deze variabiliteit is niet statistisch significant. Bij onderzoeken waarin SMK alleen met ongewenste seks geassocieerd wordt, steeg de variabiliteit waar SMK voor verantwoordelijk is naar 1,69%, wat wel statistisch significant is. Deze waarde is meer dan 10 keer zo groot als bij onderzoeken waarin zowel naar gewenste als ongewenste seks gekeken wordt. Wanneer men beide onderzoeken naast elkaar legt, blijkt dat, bij jongens, gewenste participatie in SMK niet gerelateerd is aan verminderd welbevinden. Bij vrouwen bleek anderzijds dat SMK zowel bij onderzoek waarin naar gewenste en ongewenste seks gekeken werd, als in steekproeven waarin alleen ongewenste seksuele interacties meetelden, aan verminderd welbevinden gerelateerd is. In het eerste geval nam SMK 0,64% van de variabiliteit van het welbevinden voor zijn rekening, en in het tweede geval 1,21%. Wij vergeleken deze vier effectomvangen voor de vier condities en vonden dat de effectomvang voor mannen in de gewenst-ongewenst conditie significant kleiner is dan de effectomvangen van de andere drie condities. Deze uitkomst wijst op een sekseverschil en impliceert dat jongens die vrijwillig deelnemen niet samen met meisjes geclassificeerd mogen worden, wanneer de gevolgen van SMK besproken worden.

 

Tabel 7

Meta-analyses van de relaties tussen SMK en welbevinden van studenten, onderscheiden naar sekse en mate van instemming

Sekse

Instemming

K

N

% variantie

Mannen

Alle typen

10

1957

0.16

Ongewenst

4

990

1.69

Vrouwen

Alle typen

25

9363

1.21

Ongewenst

8

2268

0.64

 

Opmerking: k verwijst naar het aantal steekproeven; N is het aantal subjecten in de k steekproeven; % variantie duidt het percentage van de variabiliteit in de mate van welbevinden aan, dat voor rekening van SMK komt.

 a Alle typen houdt in: zowel gewenste als ongewenste SMK; ongewenst houdt alleen omngewenste ervaringen in.

  

Zo blijkt dat, in ieder geval voor jongens, de gevolgen van SMK niet onontkoombaar zijn, maar afhankelijk van de context waarin het plaatsvindt. Om de context nader te onderzoeken, richtten wij ons uitsluitend op subjecten uit de studentensteekproeven met SMK-ervaringen om er achter te komen welke factoren betrokken zouden kunnen zijn bij hun reacties of symptomen. De contextuele factoren die we onderzochten waren de frequentie van de SMK-episoden, de duur, het gebruik van geweld, het voorkomen van penetratie en incestueuze SMK.

Tabel 8 toont de resultaten van onze analyses. In tegenstelling tot wat over het algemeen aangenomen wordt, waren de reacties bij een hogere frequentie van de voorvallen, een langere duur van de relaties en het voorkomen van penetratie niet negatiever, en de symptomen niet ernstiger. Anderzijds waren incestueuze relaties en het gebruik van geweld wel gerelateerd aan meer negatieve reacties en ernstiger symptomen.

Tabel 8

Meta-analyse van de relaties tussen aspecten van de SMK-ervaring en de gevolgen bij studenten

Aspect

Gevolg

K

N

% variantie

Duur