De uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof dat virtuele kinderporno iets anders is dan het misbruiken van kinderen onderstreept hoe zwak gefundeerd het desbetreffende Nederlandse wetsontwerp is, meent
F.Kuitenbrouwer.
NRC 23 april 2002
|
Liep minister Korthals (Justitie) niet te hard van stapel met zijn wetsvoorstel dat zogeheten virtuele kinderpornografie strafbaar stelt? Het gaat daarbij om materiaal dat geheel door de computer is geproduceerd en waar geen echt kind aan te pas is gekomen. Principieel gezien is dit wettelijk drijfzand. Toch vond de bewindsman dat het best kon. Hij beriep zich op de overeenstemming die zich aftekende bij de onderhandelingen over een verdrag tegen de "cybercriminaliteit'' van de Raad van Europa. Het cybercrime-verdrag, inclusief een bepaling over virtuele kinderporno, is in november vorig jaar plechtig ondertekend in Boedapest. De bepaling in kwestie is vrijwel letterlijk overgeschreven uit de Amerikaanse Child Pornography Prevention Act van 1996 (CPPA). De Verenigde Staten hebben een grote rol gespeeld bij de totstandkoming van het Europese cybercrime-verdrag. Tegen de CPPA is echter direct een procedure aangespannen wegens strijdigheid met de constitutie. Vorige week boorde het federale Hooggerechtshof van de VS deze wet de grond in. Het hof liet geen spaan heel van de vier rechtvaardigingsgronden die de Amerikaanse regering had aangevoerd:
De verworpen argumenten stemmen overeen met de motivering van de Nederlandse wet. Er bestaan natuurlijk de nodige verschillen tussen Nederland, en Europa in het algemeen, en de VS. Maar de vrijheid van meningsuiting is binnen beide rechtsstelsels een belangrijke waarde. Meer in het bijzonder is zowel hier als daar de rechtvaardiging voor een speciale strafbaarstelling van kinderporno steeds gebaseerd op het misbruik van weerloze kinderen waarmee dit gepaard gaat. Het Amerikaanse hof herinnert eraan dat virtuele kinderporno in dit verband juist werd gezien als een alternatief voor echte kinderpornografie. Geldt dat niet voor Nederland? Tegelijk met de Amerikaanse uitspraak verscheen het jongste nummer van het tijdschrift voor strafrecht Delikt en Delinkwent. Daarin noemt de Nijmeegse hoogleraar Y. Buruma het "bizar'' als wij de export van Amerikaanse CPPA zouden erkennen, zeker als deze zou sneuvelen bij het Amerikaanse gerechtshof (waarvan hij de uitspraak natuurlijk nog niet kon kennen). Buruma heeft een speciaal bezwaar tegen het wettelijk verbod van virtuele kinderporno. Het gaat niet alleen om de vrijheid van meningsuiting (zoals in de VS) maar ook om de persoonlijke levenssfeer. Inbreuken daarop vergen een precieze omschrijving. Dat is bij echte kinderpornografie al een probleem, getuige de rel rond een foto van een man met zijn kind op het Holland Festival enige jaren geleden. In een wetgevingsoverleg over virtuele pornografie in de Tweede Kamer eind maart kwam de verwarring duidelijk aan het licht. Hoe staat het met schilderijen? Minister Korthals zei dat het wettelijk criterium voor computerbeelden en andere afbeeldingen is of ze "op het eerste gezicht levensecht'' zijn. Maar hij zei ook dat bepalend is of "een schilderij tot stand is gekomen door het werkelijk schilderen van een minderjarige''. Dat is iets anders dan levensecht. Verschillende Kamerleden vonden de uitleg van de bewindsman "niet helder''. Maar dat was geen beletsel voor de Tweede Kamer akkoord te gaan met de strafbaarstelling van virtuele kinderporno. Wat nu? Buruma zou het interessant vinden te zien wat na de Amerikaanse uitspraak het Europees Hof voor de mensenrechten maakt van de virtuele wetgeving. Beter is het als de Eerste Kamer deze wetgeving nog eens grondig tegen het licht houdt en de regering op dit onderdeel terugfluit. |
|